
Op het programma staan twee bezoeken gepland.
Eerst komt het Visserijmuseum van Mariekerke aan de beurt. De plaatselijke gids neemt ons op sleeptouw door de geschiedenis van de visserij in dit kleine dorp aan de oever van de Schelde. Boeiend en leerzaam!
Deel twee van het namiddagprogramma: een bezoek aan de Gansakkermolen in Sint-Amands. De (museum-)molen is volop in bedrijf. Via een trapje beklimmen we de heuvel waarop de molen werd opgebouwd. We worden verwelkomd door een enthousiaste molenaarsleerling die ons op de gelijkvloerse verdieping uitlegt wat een staakmolen is (neen, dat is geen molen waar gestaakt wordt…) Dan klimmen we via nog een trapje, binnen in het malende lijf van de molen, naar de volgende verdieping. Daar worden we verwelkomd door molenaar Benji, de zoon van Vonny, één van onze natuurgidsen. Benji geeft ons met veel enthousiasme uitleg over het malen van de verschillende granen en nodigt ons dan uit om via nog een trapje nog een verdieping hoger te klimmen. Mijn hoogtevrees besluit dan de maat nu vol is en mijn knikkende knieën verhinderen me om volgende trapje te bestijgen.
Dan maar voorzichtig terug naar beneden terwijl de rest van ons groepje naar boven klimt.

De Gansakkermolen op zijn ‘heuveltje’
Beneden speur ik wat rond om te kijken of er tussen de schrale vegetatie (wat wil je met zo’n hete, droge zomer? ) toch nog interessante planten te ontwaren zijn. Ik zoek aandachtig tussen de grassprietjes en plotseling ontvouwt er zich een bizar schouwspel, een waar strijdtoneel. Gruwel en doodslag, niet in verre oorden, maar hier voor mijn voeten op het zandige heuveltje van de molen. In het zand zie je overal kleine gaatjes, zowat 5 mm diameter: de ingang van de nestgangen waar zandbijtjes hun eitjes in leggen. Er vliegen wel wat van die kleine, onopvallende bijtjes rond, maar eerder een gering aantal.
Wat wel meteen in het oog springt (gelukkig niet letterlijk!): een tiental schitterende, ‘glitterende’, druk heen en weer vliegende beestjes met een karmijnrood achterlijf en een borststuk dat wel een mozaïekje in fluo-groen en fluo-blauw lijkt. Op zich prachtige insecten, die behoren tot de familie van de Goudwespen – Chrysidiae (een toepasselijke familienaam …). Hoe mooi ze ook zijn, echt vredelievend kan je ze niet noemen. Nu en dan zie ik een goudwesp in zo’n zandbijengangetje kruipen. De goudwespvrouw, in dit geval meer bepaald Hedychrum rutilans, legt haar eitjes namelijk in de nestjes waar de eitjes van de zandbijtes in gelegd werden. Koekoeksgedrag dus. De vrouwelijke zandbijtjes maken in hun nestgang voor elk eitje een apart kamertje dat ze verder opvullen met organisch materiaal, zodat bij het uitkomen van het eitje, de larve al meteen voldoende voedsel heeft om zich tot een volwassen imago te ontwikkelen. Reken maar dat er niet veel zandbijtjes zullen overleven als de goudwespvrouwtjes daar gepasseerd zijn. Een echt koekoeksjong gooit zijn ‘broertjes en zusjes’ toch ook overboord, uit het nest, weg ermee! De goudwespen zijn dus zowel parasitoiden (die hun gastheer-larven doden) als cleptoparasieten (die het voedsel van hun gastheer-larven stelen). De goudwespen beschikken over een uitwendig pantser dat zo hard is dat ze van eventuele steken van bijen geen last hebben.

Goudwesp Hedychrym rutilans
Het aanschouwde strijdtoneel, hoe klein ook, biedt nog meer kommer en kwel. Het is er tevens een af en aan vliegen van insecten met een opvallend knalgeel, groot uitgevallen achterlijf. Het hele insect is ook een heel stuk forser dan een ‘gewone’ bij. In feite is het achterlijf geel met zwarte dwarsstreepjes, maar doordat het achterlijf voortdurend driftig heen en weer geschud wordt zie je alleen maar ‘geel’. Het gaat hier over de Bijenwolf – Philanthus triangulatum van de familie van de Graafwepsen – Crabronidae. Nu en dan zie je zo’n bijenwolf een poging wagen om in een nestgang van een zandbij te kruipen, maar vaakst zweven ze als een levende ‘micro-drone’ boven de schaarse bloemen op het heuveltje. Hun naam waardig zijn ze heus niet op zoek naar nectar, maar wel naar bijen die nectar zoeken. Twee keer zie ik een drie- of viertal dappere bijtjes samen tegelijkertijd op de bijenwolf afvliegen, wellicht om die te verjagen, maar ze moeten telkens het onderspit delven. Zelfs de monddelen van de bijenwolf zijn indrukwekkend. Het lijkt wel alsof ze een kunstgebit hebben ingestoken…

Bijenwolf

Bijenwolf: imposante monddelen
Nog een derde variatie op het thema ‘eten of gegeten worden’!
Hier en daar hupt er een veldsprinkhaan tussen de begroeiing op het heuveltje. De foto’s die ik upload op www.waarnemingen.be, worden door benoemd als ‘Chorthyppus bigutullus – groep’, een moeilijk te determineren groep veldsprinkhanen, waarvoor mijn amateurfoto’s zeker niet volstaan. Nu zien veldsprinkhanen er toch al heel wat robuuster uit dan zandbijtjes. Maar ook op hen wordt er gejaagd. Tussen al het gewriemel op het zandheuveltje landen ook regelmatig langwerpige, wespachtige insecten met een opvallend oranjerood achterlijf. Aan kleuren geen gebrek op dit strijdtoneel (de uniformen van de troepen van Napoleon zijn er niets tegen). Deze laatste beesten dragen de voor zichzelf sprekende naam Sabelsprinkhaandoder – Sphex funerarius, behorend tot de familie van de Langsteelgraafwespen – Sphecidae. Inderdaad, bij nader inzien, lijkt dat kleurige, langgerekte achterlijf, door middel van een dun zwart steeltje aan het borststuk vast te zitten.
Nu zit er wel een zekere contradictie in de namen van aanvaller en slachtoffer. Op dat moment heb ik geen directe aanval waargenomen, maar ik heb toch wel een sterk vermoeden dat de ‘sabel’sprinkhaandoder, als hij grote honger heeft, een ‘veld’sprinkhaan niet zal versmaden (aangenomen dat zijn/haar kennis van de biologie zo ver reikt dan hij/zij dat onderscheid in sprinkhanenland als dusdanig herkent).

Sabelsprinkhaandoder (kop)

Sabelsprinkhaandoder
Intussen wuift Ilse Talboom met toe vanuit het hoogste raampje van de molen. De natuurgidsen beginnen aan de afdaling.

Genoeg oorlog en verderf!!
Hoog tijd om het slagveld te verlaten en samen op het terras van de Cuytegemhoeve te genieten van een natje en een droogje en vooral van elkaars gezelschap!
Hedwig Hofmans
